Edith vertolkte bij de stemming van de provinciebegroting 2008 het standpunt van de fractie.

PEPER EN ZOUT

 

Geachte voorzitter

Geachte heer Gouverneur

Dames en heren deputés

Dames en heren collega raadsleden

 

Ik heb vandaag een peper- en zoutvat meegebracht, want ik zou de tussenkomst van onze fractie ook deze titel willen geven: peper en zout.

 

Ons bestuur heeft goed gekookt dit jaar en ook voor 2009 krijgen we een excellente menukaart voorgeschoteld. Toch zou er iets meer peper en iets minder zout kunnen gebruikt worden.

 

We hebben hier de afgelopen weken heel wat tussenkomsten gehoord over diverse thema’s, in diverse belangstellingssferen.

 

Maar ik heb dus iets peper gemist. Want het gaat niet goed met de economie. De crisis in de financiële sector krijgt ook de reguliere economie steeds meer in haar greep. Volgens VOKA Limburg krimpt de economische activiteit in Limburg reeds 5 opeenvolgende kwartalen. We weten op dit moment nog niet wat de precieze impact zal zijn van de financiële crisis op de reële economie en hoe lang deze crisis nog zal aanhouden.

 

Als het goed gaat in Vlaanderen, gaat het meestal nog beter in Limburg. Maar ook het omgekeerde geldt helaas: als het slecht gaat in Vlaanderen gaat het nog slechter in Limburg. Hopelijk komt hierin een structurele verandering. Wat er gaat gebeuren op economisch vlak is voor een stuk koffiedik kijken, maar één ding is zeker: vanuit de politiek moeten we een antwoord geven op de zorgen van de burger. De mensen zijn vandaag bezig met voornamelijk 2 zaken: werk & inkomen, zien hoe het einde van de maand wordt gehaald. Ze zijn bevreesd voor de nabije toekomst. We moeten dus waakzaam zijn en flankerende maatregelen nemen voor ‘werk’ en uit de beleidsverklaringen van verschillende gedeputeerden is deze invalshoek al naar voren gekomen.

 

We verwachten veel van ons provinciaal bestuur, en terecht. Maar koken kost geld – we noemen iets al snel ‘peperduur’ – en we moeten dus omzichtig omspringen met de budgetten.

 

In de begroting wordt uitgegaan van een stijging van de opbrengst uit de provinciale opcentiemen op de onroerende voorheffing. Onroerende voorheffing heeft natuurlijk veel te maken met gebouwen: residentiële gebouwen, kantoren, winkels en bedrijven en in mindere mate met gronden. De economische recessie zal onvermijdelijk ook de bouwsector treffen. Mensen die de bouw van hun eigen woning uitstellen tot de economische situatie uitklaart, promotoren die hun projecten uitstellen totdat er weer een markt voor is …. Als de provincie haar fiscale ontvangsten uit de opcentiemen op de onroerende voorheffing wil realiseren, dan mag - alleen al om juist die fiscale reden - de bijzondere aandacht van de deputatie gevraagd worden voor de Limburgse bouwsector. Deze sector is één van de allergrootste Limburgse werkgevers met meer 23.000 werknemers in dienst. Verder speelt de bouwsector een belangrijke rol in de huisvesting, de handel en industrie. En tot slot is er ook hier de aloude volkswijsheid die stelt: als het goed gaat met de bouw, gaat het met alles goed. Actueler dan ooit!

 

Om al deze redenen meen ik dat het zonder meer noodzakelijk is dat de provinciale overheid - ook al kan ze ook op dit vlak slechts een flankerend beleid voeren - de huidige ontwikkelingen en prognoses in de Limburgse bouwsector op de voet volgt. Waarom niet een beetje meer peper toevoegen en binnen de kortst mogelijke termijn een Limburgs overleg tot stand brengen met de sector? Betrek daarin zowel de privé-actoren als de actieve sociale bouwmaatschappijen en ga samen na welke concrete maatregelen de provincie en de lokale besturen kunnen treffen om zoveel mogelijk onheil op korte termijn af te wentelen en nieuwe opportuniteiten te onderzoeken.

 

En nu we toch in de bouw zitten, wil ik nog een oproep lanceren. De BTW op het slopen van gebouwen en de bouw van vervangende woongelegenheden op die plaats in 32 stedelijke centra bedraagt slechts 6%, ongeacht de straat, buurt of wijk in deze steden. Voor Limburg gaat het om de stad Hasselt en de stad Genk. Natuurlijk een uitstekende zaak voor de kernversterking, maar de zoute kant aan het verhaal vind ik (nochtans zelfs een Genkse) dat alle andere Limburgse steden en gemeenten hiervoor niet in aanmerking komen. Ik geloof dat het, in het licht van de moeilijke economische situatie enerzijds en de genoemde belangrijke rol van de bouwsector anderzijds, heel wenselijk zou zijn dat de bouw overal van hetzelfde gunstige BTW-tarief kan genieten bij het slopen en heropbouwen van gebouwen, zij het dan misschien maar tijdelijk. We horen hier immers pleiten voor één Limburg in Europa: Oost- en West-Limburg samen. Juist daarom moeten we er over waken dat binnen onze provincie geen 2 Limburgen ontstaan: het Limburg van de centrumsteden enerzijds en het Limburg van alle andere steden en gemeenten anderzijds. Moest Limburg niet één stadsgewest worden?

 

De ruggengraat van het economische weefsel is ondernemerschap en we doen er dus goed aan om mensen aan te moedigen om een onderneming op te starten. Daarvoor moeten we de nodige ruimte bieden. Nog een tandje bijsteken in een gericht en dynamisch verwervingsbeleid zou volgens ons niet slecht zijn. POM Limburg en de LRM doen samen met hun partners al heel wat inspanningen om een voldoende aanbod aan bedrijventerreinen te realiseren. De uitbreiding van de industriezones Borgloon, Diepenbeek en Nieuwerkerken zijn hier voorbeelden van.

 

We beschikken in onze provincie over goed uitgeruste en vlot bereikbare ruimtes om te werken en we blijven dus hierin investeren. Dit is heel positief voor potentiële investeerders van binnen en buiten Limburg. Maar laat ons zelf ook over de grenzen van Limburg kijken. Samenwerken met Nederlands-Limburg blijft een uitdaging, maar waarom ook hier niet iets meer peper gebruiken: samenwerkingsverbanden opstarten met de groeipool Eindhoven? Ook in Noord-Brabant liggen immers kansen verscholen voor grensoverschrijdende projecten waar de Limburger beter van wordt. En vergeten we onze zuiderburen niet: denken we maar aan Luik met haar prachtig TGV-station Liège-Limbourg, het vliegveld en de nieuwe binnenhaven Trilogie-port.

Iedere Limburgse KMO dient na te denken over de eigen positie op de markt. We willen niet zeggen dat iedereen moét exporteren, maar het moet zeker een reflex zijn over te grens te kijken en het volledig potentieel te benutten, wat ook geldt voor dit bestuur.

 

Ondanks de economische crisis die op ons afkomt, gaan we best uit van de positieve perceptie die Limburg buiten haar grenzen heeft. Limburg is stilaan een begrip geworden in Vlaanderen en dat danken we voor een groot deel aan onze realisaties, onze merknaam en ons Limburggevoel. Limburg staat meer en meer synoniem voor een ondernemende, creatieve en innoverende provincie waar het aangenaam is om te wonen en te werken. Limburg is een groene provincie die de CO2-neutraliteit nastreeft, wat kan leiden tot de ontwikkeling van een nieuwe economie met hoogtechnologische bedrijven.

Op korte termijn zal een gerenommeerd theatergezelschap uit het Antwerpse afzakken om Limburgse oorden op te zoeken en - moet het nog gezegd – toeristen vinden meer en meer de weg naar hier. Het aantal toeristen zit nog steeds in de lift, Limburg blijft een fietsparadijs, blijft dé dicht-bij-huis-vakantiebestemming. Dit zijn stuk voor stuk bewijzen dat we ondanks de financiële crisis een positief verhaal kunnen schrijven over onze provincie.

Al de toeristische initiatieven, en dat zijn er heel wat, zijn prima, maar we mogen niet vergeten dat de economische terugvloei goed gemeten moet worden. De investering van belastingsgeld in bv. Katarakt of de Smaak van de Keyser moet zijn substantiële return naar de Limburger kennen. We moeten in de toekomst op toeristisch vlak ook zonder deze producties verder kunnen: een structurele verankering van initiatieven moet hierop volgen.

Eigenlijk komt het erop neer dat we in alle acties, in alle initiatieven en projecten naast creativiteit ook duurzaamheid nastreven. De accenten die gelegd worden in economie, ruimtelijke ordening, cultuur, welzijn, jeugd, toerisme en milieu moeten steeds de duurzaamheidsgedachte hoog in het vaandel dragen. Bij wijze van voorbeeld: binnen het cultuurbeleid wordt voluit de kaart getrokken van het kansen geven aan talent. Dit is een positieve keuze, maar geen vrijblijvende keuze. Het kansen geven gaat niet enkel over een financiële ondersteuning, maar ook over een juridische, communicatieve of commerciële ondersteuning. De talenten die de kans zullen krijgen om begeleid te worden, zullen ook de ‘vermarketings-test’ moeten doorstaan. Initiatieven op welk terrein dan ook moeten duurzaam en resultaatsgericht zijn. Hetzelfde voorbeeld kan gegeven worden voor de welzijnssector. De doorbraak in de rustoordensector is positief en broodnodig. Er zijn voldoende middelen vrijgemaakt voor deze sector, maar ook hier moeten we de duurzaamheidsgedachte centraal plaatsen in het beleid.

 

Wat de verkeersveiligheid betreft kunnen we stellen dat elk ongeval en zeker elke dode er één te veel is. De Slim-campagne werpt volgens het cijfermateriaal zijn vruchten af, maar we moeten opletten met enkel en te veel repressieve controles, waar ik weer te veel zout in proef. Ik kreeg ook een zout gevoel toen ik hier het pleidooi voor de fuifbussen hoorde. Niet omdat ik tegen fuifbussen ben, integendeel, maar het was de argumentatie die het ‘m deed. Ik kreeg de indruk dat onze jongeren voltallig en permanent ofwel gedrogeerd ofwel dronken op deze aardbol rondzwalpen. Gelukkig ken ik dan toch nog een aantal gezonde exemplaren! Let alsjeblieft op voor stigmatisering! Vooral sensibilisering van verschillende doelgroepen is belangrijk, zonder daarbij een overdaad aan communicatiecampagnes op te zetten. Bevoegdheidsoverschrijdend werken waarbij een duurzame samenwerking tussen Jeugd en Onderwijs wordt gerealiseerd kan ook een belangrijke, duurzame hefboom naar de verkeersveiligheid betekenen. Enkele pilootprojecten in het onderwijs opstarten en een goede evaluatie hiervan maken, is onze suggestie.

 

Onderwijs blijft trouwens een onnoemelijk belangrijk item voor het beleid. Al groeit volgens mij het fenomeen dat we van het onderwijs te veel, zoniet alles verwachten. Wij ouders mogen onze verantwoordelijkheden niet naar het onderwijzend personeel afschuiven! Onlangs hoorde ik van een werfleider die geen geschikt personeel vond de spitse opmerking: (en ik citeer) alles wat na ’80 geboren is, zouden ze moeten terugroepen. Daar zit een fabricagefout aan en moet gereviseerd worden (einde citaat). Ik begreep onmiddellijk wat die man bedoelde. Achteraf bedacht ik wel dat velen hier in de raad (waaronder ikzelf trouwens) met een gemiddelde leeftijd van 47 jaar zelf één of meer van die exemplaren hebben gefabriceerd. Auto’s hebben 5 jaar garantie, in de bouw blijf je 10 jaar verantwoordelijk voor gebreken, op deze ouderlijke verantwoordelijkheid staat eigenlijk geen termijn. Wij moeten onze kinderen van jongs af aan hun creativiteit laten ontdekken, zodat ze op hun twaalfde bewuster hun studeerrichting kunnen kiezen waarbij de technologische richtingen misschien meer kansen krijgen. Zo kunnen we schoolmoeheid, spijbelaars en bissers hopelijk voor een stuk voorkomen. Eigenlijk begint alles al in de kleuterklasjes. Ook al bestaat de leerplicht pas vanaf 6 jaar, pleit ik er toch voor dat het provinciebestuur zich zwaar zou inzetten om alle kleuters naar school te krijgen. Het is daar bv. dat ze de taalvaardigheid krijgen die broodnodig is voor hun latere leer- en professionele ontwikkeling. We moeten onze Limburgse kleuters, welke ook hun thuisomgeving is, speels voorbereiden op de taaltesten in het laatste kleuterklasje.

 

Ik heb mij laten vertellen dat een goeie kok geen peper- of zoutvat op de tafel zet: alle ingrediënten zijn al tijdens het koken in perfecte verhouding verwerkt in zijn gerechten. Met andere woorden, we moeten waar mogelijk preventief werken en waar nodig, misschien zelfs wat curry, paprika of venkel toevoegen!

 

Edith Bijnens

Fractieleider Open-Vld

01.12.08

Rubrieken: Nieuws ~ Trackback

Reageer